Aardappels kweken.

Bij de meeste mensen liggen ze zeker een paar keer per week op hun bord, aardappels. Een makkelijke groente, die wel wat ruimte vraagt. Maar als je een hoekje over hebt, zeker de moeite waard is.


De plant.

Dit oer-Hollandse gerecht vind zijn oorsprong in Zuid-Peru. De aardappel, de Chunu, werd in de 16e eeuw ontdekte de Spanjaarden. Zij namen deze knollen mee naar Europa. Al waren ze nog lang niet ze groot als de knollen die we nu kennen.

 

Zijn Latijnse naam is Solanum tuberosum. Na het planten van de pootaardappels groeit er een plant van ongeveer 60 tot 120 cm groot uit, waar na de bloei appeltjes in komen. Alle bovengrondse delen zijn giftig, zeker de appeltjes. Onder de grond groeien er aan het wortelgestel nieuwe aardappelen. Deze worden in het najaar geoogst voor de consumptie.

 

Aardappels zijn in 3 groepen te verdelen. De vroege, de middelvroege en de late aardappels. Daarnaast maken we verschil in kruimelige aardappels en vastkokers. Het is dus zaak dat je goed kijk welk soort je wilt gaan zetten.

 

De kweek.

In het voorjaar worden de pootaardappels in de grond gestopt. Dit gebeurd tussen half maart tot half april.

Half maart worden de vroege aardappels gepoot, 2 weken later de middelvroege en nog 2 weken later, rond half april de late aardappels.

 

De plantafstand is afhankelijk van het soort, maar met een plantafstand van 50 x 60 cm kom je gemiddeld wel aardig uit. Sommige mensen maken een paar dagen voor het planten de aardappels een keer vochtig, zodat ze alvast beginnen uit te lopen. Plant vervolgens 2 tot 3 aardappels bij elkaar en ongeveer 10 cm diep.

 

Houdt het zeker in het begin goed in de gaten, want aardappels kunnen niet tegen vorst. Na opkomst moeten de aardappels aangeaard worden. Met de hark wordt de grond tussen de regels vandaan geharkt en voorzichtig op de regel met opkomende aardappels gedaan. Zo worden de nieuwe planten beschermt tegen de vorst en hebben ze meer ruimte om aardappels te laten groeien. Als ze daarna weer boven de grond uitkomen en er wordt vorst verwacht, dek ze dan af met vliesdoek.

 

Soorten.

Er zijn vele, vele soorten aardappels. Hele bekende soorten, zoals de Frieslander of het Bintje. Maar ook vele onbekende soorten. Kijk hier maar eens: ZaadhandelvanderWal. Bij het uitzoeken van de juiste aardappels is het wel interessant om rekening te houden met Phythophtora (aardappelziekte) -resistente soorten.

 

 

Standplaats.

Aardappels mogen zeker niet te nat staan, anders zullen ze gaan rotten. Door de aan te aarden, dus op ruggen te kweken kan dit voor een groot deel opgelost worden. Verder vragen ze niet veel van hun standplaats en doen ze het zowel in de zon als in de schaduw goed. Zet ze niet te beschut, maar zorg dat er wat wind door de planten kan waaien. Zo blijft het gewas na de regen niet te lang nat en word de kans op Phyphophtora verkleind.

 

Wisselteelt.

Aardappels hebben een wisselteelt nodig van tenminste 3 jaren. Dit betekend dat de grond 1 jaar voor de aardappels gebruikt word en daarna dus 2 jaar niet. Zo kan de grond weer rusten en wordt de kans op ziektes verkleind. 

 

Goede en slechte buren.

Goede buren:

  • Afrikaantjes
  • Bonen
  • Dille
  • Knoflook
  • Koolrabi
  • Koolsoorten
  • Maïs
  • Munt
  • Oost-Indische kers
  • Spinazie

 

Slechte buren:

  • Courgette
  • Framboos
  • Komkommer
  • Pompoen
  • Selderij
  • Tomaten
  • Ui
  • Zonnebloem

 


Voeding.

Aardappels vragen best wat voeding. Spit in het voorjaar wat compost en een flinke lading oude stalmest onder. Voor dat we gaan aardaarden, strooien we wat kali tussen het gewas. Dit zorgt voor sterke wortels en mooie aardappels.

 

Oogsten.

De vroege aardappels kunnen 100 dagen na het planten geoogst worden. De latere aardappels kunnen iets langer in de grond blijven zitten. 

 

Als het gewas afsterft, maar je wilt nog niet oogsten, snijd dan het lof af. Zo kunnen de aardappels nog enkele weken in de grond blijven zitten. Als het wel erg nat wordt is het verstandig om de aardappels alsnog op te rooien.

 

Neem op een droge dag een platte vork en wip de grond iets op. Zorg voor voldoende afstand, want je wilt de aardappels niet beschadigen. Vervolgens kan met met de hand gaan rooien. Haal de aardappels uit de grond en laat ze op de grond even een uurtje indrogen. Daarna worden ze opgeraapt in in kisten gedaan. Houdt de beschadigde en te kleine aardappels apart.

 

Neem de kleine en beschadigde aardappels als eerste mee naar huis en eet deze als eerste op. Het is niet nodig de verse aardappeltjes te schillen. Ze kunnen zo met schil en al gebakken of gekookt worden en gegeten worden.

 

Bewaren.

Zorg dat de aardappels droog zijn als ze in de kisten gaan. Bewaar ze op een koele, droge en vorstvrije plaats. Een kelder is ideaal, maar aangezien niet iedereen die heeft is een andere koele plek ook prima. Zorg ook dat ze donker staan, anders zullen de aardappels groen kleuren.

 

Loop de aardappels om de paar weken eens na en verwijder zieke en beschadigde aardappels. Zo kunnen de aardappels zeker enkele maanden bewaard worden.

 

Er is ook anti-spruitpoeder te koop. Dit is een chemisch goedje waardoor de aardappels minder snel uitlopen. Zelf gebruik ik dat niet. Mijn aardappels zijn meestal in januari of februari op. 

 

Ziektes en plagen.

Phyphophtora.

Dit is de bekende Aardappelziekte. Door deze schimmelziekte krijgt het blad bruine vlekken. Daarna krijgen de stengels hier ook last van. Onder de grond zullen de aardappels zacht worden en gaan rotten. Zeker met een natte zomer of nat najaar neemt de kans op deze ziekte toe. Op tijd planten en op tijd oogsten kan dit voorkomen.

Laat het zieke lof en/of de zieke aardappels niet op de tuin, maar neem het mee naar huis en gooi het thuis weg. Zo voorkom je dat je het komend jaar weer hebt.

 

Emelten of Engerlingen.

Emelten of Engerlingen zijn dol op aardappels. Zelf ben ik ze nog niet tegengekomen in de aardappels.

 


Laatst bijgewerkt op: 17 januari 2021