Tuinbonen kweken.

Dit is een zeer vroege peulgewas dat ook al op tijd geoogst kan worden. Pluk ze lekker klein, want als je ervan houdt is er niet lekkerder te vinden dan de kleine zelf geoogste dopboon.


De plant.

Tuinbonen staan het beste op een dubbele regel. Dan hebben ze steun aan elkaar. De plant maakt 3 tot 4 uitlopers en wordt tussen de 60 en 140 cm hoog. De de bloei verschijnen er leerachtige peulen met daarin de bonen. Deze worden uiteindelijk 3 tot 5cm groot, maar worden liever jong geoogst. Pluk de peulen als de bonen die erin zitten 1 a 2 cm groot zijn.

 

Net als andere bonen halen tuinbonen stikstof uit de lucht en slaan deze op in kleine bolletjes aan de wortels. Dit komt ten gunste van de planten die na de bonen op hetzelfde stuk grond geteeld worden. 

Gooi de planten na de oogst dan ook zeker op de composthoop.

 

Zaaien.

Tuinbonen kunnen al super vroeg gezaaid worden. Binnenshuis of onder glas kan er vanaf begin januari tot half februari al begonnen worden met het zaaien van Tuinbonen.

 

Vul een bak met zaaigrond of potgrond en druk hierin een aantal gaatjes van 2 a 3 cm diep en enkele centimeters uit elkaar.  Doe in elk gaatje 1 tuinboon en dek deze af met wat grond.

 

Afhankelijk van de temperatuur, zullen de bonen na een week of 2 opkomen.

 

Als de plantjes ruin 10 cm groot zijn, en als het niet vriest, kunnen ze uitgeplant worden. Laat ze dan wel eerst even een paar dagen wennen aan de buitentemperatuur. Daarna kunnen ze best wel wat vorst hebben.

 

Je kunt ze vanaf half februari ook buiten ter plaatse zaaien. 

 

Of voor een hele vroege oogst kan je ze ook in oktober zaaien. Dan zijn ze nog 2 weken eerder te oogsten. Wel neemt de kans op vorstschade en muizenvraat toe.

 


Soorten.

Er zijn witkokende en bruinkokende tuinbonen. De bruinkokende soorten hebben een sterkere tuinbonensmaak en zijn ook iets bitterder. De witkokende zijn doorgaans was milder en iets zoeter van smaak.

 

Witkokende rassen zijn:

  • Driemaal Wit
  • Eleonora

Bruinkokende rassen zijn:

  • Witkiem
  • Leidse Hangers
  • De Monica

Standplaats.

Tuinbonen zijn niet kieskeurig wat grondsoort betreft. Ook hebben ze niet veel voeding nodig. Spit in het vroege voorjaar wat compost onder en strooi na enkele weken na het uitplanten of opkomen van de bonen nog wat koemestkorrels.

 

Wisselteelt.

Tuinbonen horen thuis op het bed van de peulgewassen. De wissel teelt van dit gewas is minimaal 4 jaar. Dus 1 jaar wel en dan 3 jaar niet op het stuk grond. 

 

Plantafstand.

Tuinbonen worden het beste in minimaal 2 regels geplant. De afstand tussen de regels is 60 cm. In de regel komen de planten 20cm uit elkaar te staan. Zo hebben ze voldoende steun aan elkaar en zullen ze niet snel omwaaien.

 

Oogsten.

Laat de bonen bij voorkeur niet te groot worden. De kleine boontjes zijn immers het lekkerste. Grote bonen worden bitterder en meliger. 

 


Bewaren.

Na het plukken zijn de boontjes ongedopt een paar dagen houdbaar. Eenmaal gedopt, dan moet de bonen dezelfde dag gegeten worden.

 

Om ze langer te bewaren kunnen ze gedopt, rauw ingevroren worden. Daar zijn ze enkele maanden houdbaar.

 

Ziektes en plagen.

Muizen.

Muizen vinden de bonen, maar ook de pas opkomende planten erg lekker. Zaai voor in een kweekbakje met doorzichtige deksel, dan kunnen de muizen er niet bij.

 

Zwarte bonenluis.

Tuinbonen zijn weer gevoelig voor de zwarte bonenluis. Zaai vroeg en haal tijdig de toppen uit de bonen. Dan wordt de kans op luis behoorlijk kleiner. Als er toch luis in komt, kan je alsnog de planten toppen.

 

Kalender.


Laatst bijgewerkt op: 19 maart 2021